Peul Hendriks is een biologisch gekweekt, middelvroeg en zeer betrouwbaar ras. Peul Hendriks is een traditioneel Nederlands ras dat al jarenlang wordt gewaardeerd vanwege zijn betrouwbare opbrengst en uitstekende smaak. Deze sterke klimpeul vormt lange, frisgroene peulen die jong worden geoogst. De peulen zijn mals, vrijwel draadloos en hebben een aangenaam zoete, frisse smaak. Dankzij de lange oogstperiode produceert de plant gedurende meerdere weken nieuwe peulen. Culinair is Peul Hendriks bijzonder veelzijdig. De jonge peulen worden in hun geheel gegeten en zijn heerlijk om kort te koken, te stomen of te roerbakken. Door hun knapperige structuur en zachte, zoete smaak zijn ze uitstekend geschikt als warme groente, maar ook in salades, wokgerechten, pasta's en ovenschotels. Ze combineren goed met boter, citroen, knoflook, munt, peterselie en dragon, maar passen ook uitstekend bij aardappelen, rijst, kip, vis en lamsvlees.
Wanneer de peulen ouder worden, ontwikkelen de erwten zich verder. Op dat moment kunnen de jonge erwten worden gedopt en vers worden gegeten. Laat je de peulen volledig afrijpen, dan ontstaan droge erwten die na weken en koken geschikt zijn voor stevige soepen, stoofgerechten en puree. Hierdoor biedt één plant zowel smakelijke peulen als later in het seizoen verse doperwten of droogerwten. Door hun milde, lichtzoete smaak passen de peulen uitstekend in de Nederlandse, Franse en mediterrane keuken. Kook of stoom de peulen bij voorkeur slechts enkele minuten, zodat ze hun frisse groene kleur en aangename knapperigheid behouden. Niet winterharde eenjarige. Hoogte: 180 - 220 cm.
Vorquellen: 24 Stunden
Vorkeimen: möglich
Innen säen oder außen säen unter Glass: ab mi-Januar - Februar
Außen säen: März - Mai
Entkeimen: 10 - 21 Tage
Keimtemperatur: 10 - 17 °C
Saattiefe: 2 - 4 cm
Pflanzabstand: 30 - 50 cm
Standort: sonnig
Erntezeit: Juni - August
Quellen Sie die Samen 24 Stunden vor der Aussaat in einer Schale mit Wasser vor. Die Samen saugen sich vollständig mit Wasser voll, wodurch sie einen Vorsprung bei der Keimung erhalten. Auf Wunsch können die Samen auch vorgekeimt werden. Legen Sie die Samen dazu in eine Schale mit Wasser, sodass das Wasser etwa bis zur halben Höhe der Samen reicht. Füllen Sie regelmäßig Wasser nach, da die Samen viel Feuchtigkeit aufnehmen. Nach 3 bis 4 Tagen haben die Samen in der Regel eine Wurzel von etwa 1 cm Länge gebildet.
Nun können die Samen ausgesät werden. Für eine frühe Ernte können sie ab Mitte Januar im Haus oder unter Glas ausgesät werden. Weichen Sie die Samen zuvor ein. Säen Sie sie einzeln in Töpfe oder Anzuchtschalen mit feuchter Anzuchterde. Pro Topf wird ein Samen ausgesät. Ab Mitte März können die Jungpflanzen tagsüber zum Abhärten ins Freie gestellt werden. Nach 4 bis 6 Tagen können sie an einen sonnigen Standort ins Freiland ausgepflanzt werden. Geben Sie den Pflanzen eine stabile Rankhilfe. Halten Sie den Boden gleichmäßig feucht und unkrautfrei.
Ab Mitte März können die Samen auch direkt ins Freiland ausgesät werden. Säen Sie die Samen ausreichend tief, damit sie nicht von Mäusen oder Vögeln gefressen werden. Säen Sie in Reihen. Bei niedrig wachsenden Sorten sollte der Reihenabstand 40 bis 50 cm betragen. Bei hoch wachsenden Sorten empfiehlt sich ein Reihenabstand von 100 bis 110 cm. Achten Sie beim Auspflanzen darauf, dass in den vergangenen zwei Jahren an dieser Stelle keine Erbsen oder andere Hülsenfrüchte angebaut wurden. Sobald die Pflanzen 10 bis 15 cm hoch sind, sollten sie angehäufelt und – bei hohen Sorten – bei Bedarf an einer Rankhilfe befestigt werden.